Nieuws

Een ondernemer was het eerste kwartaal 2016 vennoot met onbeperkte bevoegdheid in een vennootschap onder firma (VOF). In oktober 2016 heeft hij zich bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven als vennoot. In 2018 ontvangt de VOF een naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2016 van bijna € 60.000 en ruim € 4.000 rente en kosten. Deze aanslag is niet betaald. De ondernemer wordt, evenals de medevennoot, als bestuurder van de VOF aansprakelijk gesteld voor het volledige bedrag. De hoogste rechter oordeelt over de rechtmatigheid.

De Voorjaarsnota bevat een update van de begroting voor 2022 en de plannen voor 2023 en verder. Voorgesteld wordt om de fiscale lasten met name rond box 2 en box 3 te verzwaren. Wat zijn de plannen en wanneer gaan de nieuwe regels gelden?

Een BV heeft aan de directeur groot aandeelhouder (DGA) een lening verstrekt voor de financiering van zijn eigen woning. Hij lost tussentijds een deel af, en betaalt conform de leningsovereenkomst ruim € 34.000 boeterente aan zijn BV. De Belastingdienst schrapt de aftrek van de boeterente in de aangifte inkomstenbelasting. Terecht?

Een belastingplichtige die voor box 3 niet viel onder de massaalbezwaarprocedure en van wie de aanslag inkomstenbelasting voor de jaren 2017 en 2018 onherroepelijk vaststaat, heeft geen recht op rechtsherstel. In dat geval bestaat ook geen recht op ambtshalve vermindering van de aanslag. Dat heeft de Hoge Raad op 20 mei 2022 geoordeeld.

Een man is een klussenbedrijf gestart. In het eerste jaar van zijn onderneming heeft hij slechts één opdrachtgever aan wie hij ruim € 37.000 factureert. Gemiddeld komt er daarna elk jaar wel een opdrachtgever bij. De vraag is of in het startjaar sprake was van fiscaal ondernemerschap met de daaraan verbonden voordelen. De Belastingdienst vindt van niet. Hoe oordeelt de rechter?